4x4

Bandenterminologie Voor Gevorderden

Spreek Bandentaal als een Technisch Expert

AFROLOMTREK (ROLOMTREK)
De lineaire afstand afgelegd door een band in één omwenteling (de omtrek). Deze kan variëren afhankelijk van de belasting en bandenspanning. De afrolomtrek kan als volgt worden berekend: 63.360 gedeeld door het aantal omwentelingen per mijl = de rolomtrek in inches.

ALL SEASON BANDEN
Banden met een goede balans tussen grip in de regen of sneeuw en een lange levensduur met comfortabele, rustige rijeigenschappen.

ALL SEASON GRIP
Geeft het vermogen aan van een band om een goede balans te bieden qua grip bij zowel natte, droge als winterse omstandigheden.

ALL-SEASON HIGH-PERFORMANCE BANDEN
Banden die goede tractie leveren op sneeuw en ijs zonder dat dat ten koste gaat van hun rijprestaties op droog wegdek.

APS
Een moderne winterrubbersamenstelling op basis van silica dat zorgt voor flexibiliteit waar het loopvlak contact maakt met het wegdek.

ARAMIDE
Een synthetisch weefsel dat in sommige banden gebruikt wordt en dat (bij gelijk gewicht) sterker is dan staal.

ASKANTELING (CASTER)
De hoek tussen een verticale lijn door de hartlijn van het wiel en de as waar het wiel omheen wordt gestuurd; verbetert de stuurstabiliteit en het rechtdoor rijden.

BELASTE SECTIE-HOOGTE
De hoogte van het deel van de band dat contact maakt met het wegdek.

BELASTE STRAAL
De afstand in millimeters van de middellijn van de wielas naar de grond wanneer de band de correcte bandenspanning heeft voor de belasting.

BELASTINGSINDEX
Geeft de maximumbelasting aan die banden kunnen dragen bij een bepaalde spanning.

BINNENRUBBER
De binnenste laag van een tubeless band, in een samenstelling met vrijwel ondoordringbaar butylrubber. Na verloop van tijd zal wel enige lucht ontsnappen. Controleer uw bandenspanning maandelijks om uw banden veilig en betrouwbaar te houden.

BRUTO VOERTUIGGEWICHT
Het gewicht van het voertuig plus de inhoud (vloeistoffen, passagiers en belading).

BUTYLRUBBER
Synthetisch rubber dat gebruikt wordt om de huidige banden te maken. Butylrubber is zo goed als water- en luchtdicht.

CAMBER THRUST
De laterale kracht die gegenereerd wordt wanneer een band rolt met camber en die opgeteld of afgetrokken kan worden van de laterale kracht die een band genereert.

CENTRIFUGALE KRACHT
De zijwaartse versnelling, uitgedrukt in g's, van een voorwerp in een kromlijnige beweging. Wanneer een auto een bocht neemt, werkt daar een centrifugale kracht op die hem naar buiten probeert te trekken. Om dit tegen te gaan, ontwikkelen de banden een gelijkwaardige en tegenovergestelde kracht op de weg. Wordt ook wel laterale kracht genoemd. 

DIAGONAALBAND
Een type band met kruislingse koordlagen die schuin naar de middellijn van het loopvlak lopen.

DOG TRACKING
Een ‘track’ of een spoor is de breedte tussen de buitenranden van het loopvlak van banden op dezelfde as. Tracking, of ‘Dog Tracking’, verwijst naar een toestand waarin het voertuig niet goed uitgelijnd is en de achterwielen het spoor van de voorwielen niet volgen als de auto in een rechte lijn rijdt. Ook genaamd tracking.

DRAAGVERMOGEN
Het gewicht dat elke band bij een bepaalde bandenspanning kan dragen. Voor elke bandafmeting bestaat een bandenspanning-belastingstabel om zeker te weten dat de gebruikte bandenspanning voldoende is voor de asbelasting van het voertuig.

DRIFTEN
Driften verwijst naar het afwijken van een voertuig van een rechte lijn zonder dat er aan het stuurt gedraaid wordt. Ook trekken genoemd.

EXCENTRISCHE MONTAGE
Het zodanig monteren van een band dat het middelpunt van de rotatie van het geheel niet is uitgelijnd met het middelpunt van de rotatie van de naaf van het voertuig.

GEWICHTSOVERDRACHT OVER DE LENGTEAS
Gewichtsoverdracht van de vooras naar de achteras (of vice versa) door het accelereren of remmen. Bij het accelereren wordt gewicht overgebracht van de vooras naar de achteras. Bij het remmen wordt gewicht overgebracht van de achteras op de vooras.

GORDEL
Een laag koorden die met rubber zijn bekleed, tussen de karkaslagen en het loopvlak. Koorden zijn meestal van staal maar kunnen ook van glasvezel, rayon, nylon, polyester of andere materialen gemaakt zijn.

GORDELLAGEN
Zorgen voor de stevige basis van het loopvlak voor een gunstig brandstofverbruik. De lagen zorgen ook voor centrifugale en laterale stijfheid van de band, en zijn ontwikkeld om voldoende flexibiliteit te bieden voor een comfortabele rit.

HARTLIJN
Een denkbeeldige lijn door het midden van de auto. Uitlijning wordt gemeten vanaf deze lijn.

HIELOMSLAG
Twee zijwandlagen die om elke hielkern zijn gevouwen in tegengestelde richtingen om zijdelingse stabiliteit te bieden maar die flexibel genoeg zijn om de onregelmatigheden van de weg te absorberen.

HIELVULLER 
Zorgt dat de aandrijving en het remkoppel overgebracht worden van de velg naar de contactoppervlak met het wegdek.

HIELZONE
Een essentieel onderdeel van de band is het contactpunt tussen de band en de velg. De hielzone is zo ontworpen dat het de krachten die de velg uitoefent op de band bij de montage, en de dynamische krachten tijdens het rijden en remmen, op kan vangen.

INSNOERING
Een normaal, veilig verschijnsel in de zijwand van een band waar koordlagen elkaar overlappen en daardoor een insnoering ontstaat. Dit kan niet voorkomen in het loopvlak vanwege de staalkabels.

KARKAS
De draagconstructie van de band die bestaat uit lagen die aan de ene kant verankerd zijn in de hiel en in een radius naar de andere kant lopen en daar ook verankerd zijn in de hiel. 

KARKASLAAG
Gemaakt van dunne textielvezelkabels in rubber. Deze kabels bepalen grotendeels de sterkte van de band.

KOORD
De strengen weefsel die de koordlagen van de band vormen. Koord kan gemaakt zijn van polyester, rayon, nylon, glasvezel of staal.

KOPPEL
Draaiend of roterend effect van een kracht, meestal gemeten in Newtonmeter.

LATERALE GEWICHTSOVERDRACHT
Wanneer een voertuig door een bocht gaat, wordt gewicht overgedragen van de wielen aan de binnenkant van de bocht naar de wielen aan de buitenkant van de bocht. Dit komt door de centrifugale kracht of dwarskracht uitgeoefend op het voertuig.

LUXE PRESTATIE BANDEN 
Dit type banden, dat meestal ontworpen is voor luxe sedans, combineert hoge prestaties met een comfortabele, soepele wegligging.

MAXIMAAL TOEGESTAAN TOTAALGEWICHT
Het maximaal toegestane gewicht van de auto plus de inhoud. Deze waarde wordt bepaald door de fabrikant van het voertuig en is af te lezen op het etiket in de autoportier.

MAXIMAAL TOEGESTANE ASBELASTING
Het maximale gewicht dat mag worden verdeeld over de banden van één as.

NULGRADEN GORDEL
Individuele, versterkende, spiraalvormig gewikkelde nylon of aramide/nylon vezels die nauwkeurig kunnen worden geplaatst in specifieke gedeelten of over het gehele loopvlakgedeelte bovenop de stalen gordels. Hierdoor blijven niet alleen de banden goed in vorm, maar worden ook de rijeigenschappen en stuurprecisie verbeterd.

ONBELASTE STRAAL
De straal van de band/wielcombinatie in onbelaste toestand.

ONDERRUBBERLAAG
Materiaal tussen de bodem van het loopvlakrubber en de toplaag van de staalgordels; fungeert als een kussen dat het comfort verbetert.

OXIDATIE
Roestproces dat plaatsvindt in de stalen gordels wanneer er, door schade, vocht in de band kan dringen. Hierdoor kan de band onbruikbaar worden vóór de normale vervangingstermijn.

REMKOPPEL
Een techniek die wordt toegepast door dragracers en wegtesters om hun acceleratievermogen voor de start te verbeteren; door het gaspedaal en de rem op hetzelfde moment in te trappen, gaat het motortoerental omhoog tot de rem wordt losgelaten.

RIJKLARE MASSA
Gewicht van een productievoertuig met volle vloeistofreservoirs (inclusief brandstoftank) en de gehele normale uitrusting, maar zonder bestuurder of passagiers.

ROET
Dit is een versterkende vuller die, wanneer hij wordt verwerkt in de rubbersamenstelling van een band, zorgt voor een goede slijtvastheid.

RUBBERSAMENSTELLING
Een combinatie van grondstoffen gemengd volgens zorgvuldig ontwikkelde procedures. De rubbersamenstelling is speciaal aangepast aan de vereiste prestaties van elk type band.

SPOORKRACHT
De kracht op banden in een bocht - het vermogen van de band om grip te hebben en weerstand te bieden aan zijdelingse kracht - dat houdt de auto in de gewenste bocht.

SPORING
Het verschil in afstand tussen de voorkant en de achterkant van een set banden die op dezelfde as zijn gemonteerd.

STAALGORDEL
De combinatie van stalen koorden bedekt met rubber die een strook of gordel vormen tussen het loopvlakrubber en het karkas; deze zorgt voor uniformiteit als de band draait en voorkomt een lekke band.

STEEKCIRKEL
De diameter van een denkbeeldige cirkel getrokken door het midden van elk boutgat en gemeten tussen twee gaten recht tegenover elkaar. Deze maat wordt gebruikt om het juiste wiel bij vervanging te kiezen.

STUURRESPONS
De reactie van een voertuig op het stuurgedrag van de bestuurder. Ook de feedback die bestuurders krijgen via het stuurwiel als zij het stuurwiel draaien.

STUURSTABILITEIT
Het vermogen van een voertuig om er veilig en met vertrouwen en in een rechte lijn en bij hoge snelheid mee te rijden zonder last te hebben van onregelmatigheden in het wegdek, zijwind, aerodynamische liftkrachten of andere externe invloeden.

SYNTHETISCH RUBBER
Kunstmatig gemaakt rubber, in tegenstelling tot natuurrubber. De meeste banden van hedendaagse personenauto's en bestelwagens bevatten een relatief kleine hoeveelheid natuurrubber.

TOESPOOR
De voorzijden van twee banden op eenzelfde as liggen dichter bij elkaar dan de achterzijden van die banden.

TORSIESTANG
Een lange, rechte stang die aan de ene kant is verankerd aan het voertuigframe en aan de andere kant aan een deel van de ophanging; fungeert als een ongewikkelde spiraalveer die energie absorbeert door te draaien.

UITBREKEN
Een term die verwijst naar een verminderde grip bij het nemen van een bocht of bij het optrekken vanuit stilstand. De banden schuiven dan over het wegdek, in plaats van dat ze grip hebben.

UITSPOOR
De voorzijden van twee banden op eenzelfde as liggen verder uit elkaar dan de achterzijden van die banden.

UITSPOOR IN DE BOCHT
Ook bekend als het Ackermann-principe. De wielen van een voertuig aan de binnenkant van een bocht draaien een kleinere bochtstraal dan de banden aan de buitenkant van de bocht, omdat de twee voorwielen onder andere hoeken sturen bij het draaien.

VARIABEL CONTACTOPPERVLAK
Een systeem dat het contactoppervlak maximaliseert bij het nemen van een bocht, door een combinatie van asymmetrische loopvlakprofielen en onderliggende gordels.

VIERWIELDRIFT
Een term die een auto beschrijft waarbij de voor- en achterbanden op een gecontroleerde manier glijden. De bestuurder gebruikt zowel het gaspedaal als het stuur om de auto op het gewenste spoor te houden.

WIELBASIS
De overlangse afstand tussen de middelpunten van de voor- en de achteras aan dezelfde kant van het voertuig.

WIELBOUT-CENTRISCH
Wielen zijn zo gemaakt dat ze of om de naaf passen of om de wielbouten. Bij wielbout-centrische plaatsing passen de boutgaten van een wiel perfect op het boutpatroon van het voertuig.

WIELVLUCHT (CAMBER)
De afwijkende stand van de wielen, naar binnen of naar buiten, ten opzichte van de loodlijn, gemeten in graden. De camberhoek wordt aangepast om in een bocht de buitenste banden vlak op de grond te houden.

 

De browser die u gebruikt, wordt niet ondersteund
U gebruikt een browser die niet wordt ondersteund door deze website. Hierdoor werken sommige functies mogelijk niet goed. Dit kan leiden tot vreemde weergaven bij het browsen. Update uw browser of installeer een van de volgende browsers om optimaal te kunnen profiteren van deze website
IE
firefox 66+
chrome 72+
edge 17+
safari 12+
opera 58+