advantage

Basisterminologie Banden

Leer bandentaal te spreken als een dealer

BALANCERING
De staat waarin banden en wielen draaien waarbij al hun gewicht gelijk verdeeld is. Om een slechte balancering te corrigeren zal een speciaal opgeleide monteur gewichten toevoegen aan de binnen- of buitenkant van de velg.

BANDENPLAATJE
Een metalen of papieren etiket dat permanent is aangebracht op een voertuig, waarop de juiste bandenmaat en bandenspanning voor de auto staan aangegeven. Het etiket is meestal te vinden in de deurpost aan de bestuurderskant, in het dashboardkastje of in het tankklepje.

CONTACTOPPERVLAK
Dat deel van de band dat in contact is met het wegdek. Ook wel voetafdruk genoemd.

DOORBUIGING
De vervorming van het loopvlak en de zijwand daar waar het loopvlak in aanraking komt met het wegdek.

GROEF
De ruimte tussen twee naast elkaar liggende loopvlakribbels; ook wel profielgroeven.

HIEL
Het gedeelte van de band dat tegen de velg aan zit. Erin zit een bundeltje staaldraden, die zijn omwikkeld of versterkt door een karkasomslag, waardoor de band stevig tegen de velgrand wordt geklemd.

LAMELLEN
Speciale inkepingen in een loopvlakblok, die open gaan wanneer de band in het contactoppervlak rolt en vervolgens weer sluiten, waardoor de waterspankracht op het wegdek breekt en het rubber in contact komt met het wegdek om grip te houden, en de tractie op water en sneeuw te verbeteren.

LEVENSDUUR LOOPVLAK
De levensduur van een band voordat hij onbruikbaar wordt; kilometrage

LOOPVLAK
Dat deel van een band dat in contact komt met het wegdek. Het loopvlak onderscheidt zich door het ontwerp van de ribbels en groeven - het profiel. Zorgt voor tractie onder diverse omstandigheden, is bestand tegen grote krachten, slijtage, afschuring en warmte.​​​​​​​

MONTAGE
Dit is het plaatsen van een band op een velg en ervoor zorgen dat het geheel uitgebalanceerd is. Als u nieuwe banden koopt, dienen ze professioneel te worden gemonteerd. Ook zal een banden dealer een bedrag in rekening brengen voor een ventiel.

ONDERSTUUR
Rijgedrag van de auto waarbij de voorbanden uitbreken omdat ze een grotere sliphoek maken dan de achterbanden.​​​​​​​​​​​​​​

OPHANGING
De verschillende veren, schokdempers en koppelingen die worden gebruikt om het chassis, de body, de motor en de aandrijflijn boven de wielen te hangen.​​​​​​​

OVERSTUUR
De neiging van een voertuig om een bocht scherper te nemen dan de bestuurder van plan was. De achterkant van het voertuig zal naar buiten uitwijken. Rijgedrag van de auto waarbij de sliphoeken van de achterwielen groter zijn dan de sliphoeken van de voorbanden. Van een auto met overstuur wordt soms gezegd dat hij ‘uitbreekt’.

PROFIELDIEPTE
De diepte van het loopvlakrubber dat afslijt, in millimeters. De profieldiepte van banden over het gehele loopvlak moet in Nederland minimaal 1,6 mm zijn. Banden dienen te worden vervangen wanneer de slijtageindicatoren zichtbaar worden, bij 2 mm.

ROLWEERSTAND
De kracht die nodig is om een band te laten bewegen met een gelijkmatige snelheid. Hoe lager de rolweerstand, hoe minder energie er nodig is om een band te laten bewegen.

ROULATIE
Het afwisselen van banden van voor naar achter of van links naar rechts op een voertuig volgens een vast patroon; dit zorgt voor een gelijkmatige slijtage. Door uw banden regelmatig te laten rouleren (elke 9.000-12.000 kilometer) gaan uw banden op een eenvoudige manier langer mee. Bekijk de garantie op uw banden voor meer informatie over het aanbevolen roulatiesysteem.

RUN FLAT-TECHNOLOGIE
Banden die zo zijn ontworpen dat ze niet leeglopen als er een gat in zit, waardoor het voertuig nog enige tijd door kan blijven rijden op lage snelheid.

SCHOUDER
Het deel van een band waar het loopvlak en de zijwand samenkomen.

SYMMETRISCH LOOPVLAKONTWERP
Een uniform loopvlakpatroon aan beide kanten van het loopvlak, voor betere prestaties onder specifieke omstandigheden of op specifieke wegen.

TRACTIE
De wrijving tussen de banden en het wegdek; de hoeveelheid geboden grip.

TREKKEN
Een conditie waarbij een auto naar één kant rijdt zonder dat hij daarheen gestuurd wordt. Dit kan veroorzaakt worden door onregelmatige bandenslijtage, een verkeerde uitlijning van de voor- en/of achterwielen of door versleten of verkeerd afgestelde remmen.

UITLIJNING
Wanneer alle wielen van het voertuig zodanig zijn afgesteld dat ze in de optimale richting wijzen ten opzichte van de weg en met elkaar.

VELG
Het deel van het wiel waarop de band geplaatst is.

VELGDIAMETER
De doorsnee gemeten van hielbed naar hielbed van de velg waar de band op rust.

VENTIEL
Een apparaat dat lucht in of uit een band laat gaan. Een ventiel heeft een ventieldopje om vuil en vocht buiten te houden en een binnenventiel om te voorkomen dat er lucht ontsnapt.


 

De browser die u gebruikt, wordt niet ondersteund
U gebruikt een browser die niet wordt ondersteund door deze website. Hierdoor werken sommige functies mogelijk niet goed. Dit kan leiden tot vreemde weergaven bij het browsen. Update uw browser of installeer een van de volgende browsers om optimaal te kunnen profiteren van deze website
IE
firefox 66+
chrome 72+
edge 17+
safari 12+
opera 58+